Mijn film is af... En nu?


Naast dat ik momenteel druk bezig ben met nieuwe fictieprojecten (daarover snel meer), ben ik me de laatste tijd veel aan het verdiepen in het stukje wat na het maken komt.

Met mijn laatste korte film Fatum onder mijn arm ben ik me gaan verdiepen in distributie en in de wereld van filmfestivals. Ik had me dit jaar voorgenomen om naar zoveel mogelijk Nederlandse filmfestivals af te reizen en daarnaast heb ik ook een aantal internationale festivals meegepakt, met afgelopen maand nog mooie ervaringen bij Grimmfest in Manchester en bij de International Hofer Filmtage. Maar laten we beginnen bij het begin. Kleine disclaimer: Dit is geen uitgebreid stappenplan, maar gewoon hetgeen ik zelf heb ervaren; van lukraak inzenden tot in de taxi met Christian Friedel.

Zo heb ik vooral ondervonden dat een film maken maar het halve werk is. Het is nu een jaar na onze eerste selectie bij Imagine Fantastic Film Festival 2025 (ik typ dit full circle vanuit Lab111 tijdens Imagine 2026) en als ik terug denk aan dat punt, overheerst trots, maar had ik ergens gewild dat ik het anders gedaan had.

Waarom maak ik films?
Het heeft me flink aan het denken gezet over waarom ik films maak. Ik was altijd zo koppig om te denken dat ik films voor mezelf maak, maar met alleen jezelf als publiek ga je geen huur kunnen betalen. Tuurlijk, de passie en zelfexpressie zijn belangrijk, maar uiteindelijk moet het ook aansluiten bij een publiek, zodat het niet bij die ene film blijft. Ik maak vanaf nu dus films omdat ik wil dat ze gezien worden… en dat hoeft niet meteen een commerciële blockbuster te betekenen, dat kan heel goed een arthouse film zijn.

Maar dan… Als ik wil dat zoveel mogelijk mensen de film zien, dan kan ik hem net zo goed op YouTube knallen, toch? Backrooms laat zien dat het kan: van korte YouTube film naar A24 productie. Voor iedereen is de weg natuurlijk anders, maar voor mij denk ik nog steeds dat de festivalroute de juiste is. Uiteindelijk wil ik die korte film ook gebruiken om te laten zien wat ik in mijn mars heb en op filmfestivals zijn de mensen aanwezig aan wie je dat moet bewijzen. Na die festivalroute kan je altijd nog je film op YouTube zetten, maar als je het ervoor doet, dan zijn er nog maar weinig festivals die de film toelaten.

Geen online release is een van de vele regels van vele festivals. Zo. Veel. Festivals. Dat brengt me tot mijn volgende vraag:

Waar begin ik?
Na wat goede tips van Edith van der Heijde van See NL, begon het, toch nog wat lukraak, inzenden op FilmFreeway. Fout nummer één. Het was pas na mijn trip naar het filmfestival in Clermont-Ferrand met Cinesud dat ik erachter kwam dat er een systeem in de chaos is. De simpelste oplossing: Een distributeur vinden. In Clermont-Ferrand heb ik de mijne gevonden in Gorrilla Distribution. Ze namen het inzenden en het contact met festivals over en brachten kennis, ervaring en connecties aan tafel.

Ik heb een hoop geleerd van mijn ervaring met Gorrilla; voornamelijk dat ik volgende keer meteen een distributeur zal betrekken. Maar een distributeur kost geld. Wat als je dat niet hebt?

Voor dat geval, heb ik voor mijn volgende projecten een lijst gemaakt van festivals die er naar mijn mening toe doen. Dat kan meerdere dingen betekenen; mocht je denken dat de film goed genoeg is voor een Oscar, dan kijk je eerst naar alle Oscar qualifying festivals. Maar zo zijn er ook andere belangrijke awards zoals de European Film Award, of themaspecifieke awards zoals de Méliès d’Argent voor beste Europese genre film.

Naast de awards zijn er natuurlijk nog andere graadmeters. Voor mij gaat het ook om festivals bezoeken en ervaren. Hierbij kijk ik of er een filmmarkt is zoals op Clermont-Ferrand, een industryprogramma waar ik andere makers kan ontmoeten en nieuwe skills kan leren, maar ook of reis- en verblijfskosten vergoed worden. Want het kost allemaal al zoveel geld. De distributeur, inzendkosten, de etentjes en borrels die bij de festivalervaring horen… (Luxeprobleem, I know.)

Daarna begint het puzzelwerk waar ik tegen de volgende fouten ben aangelopen. Veel festivals willen een première, dus de volgorde van inzenden bepaalt welke deuren later nog open staan. Ik leerde al snel om vroeg in te zenden, want early bird scheelt veel geld. Ook denk ik dat programmeurs tijdens het kijken al films bij elkaar visualiseren, dus hoe later je bent, hoe kleiner de kans dat je film nog bij een filmblok past.

Samenvattend: Wat ik eerder had willen weten is mijn doel. Waarom zend ik in naar festivals en welk festival past bij welk doel? Past een festival niet bij mijn doel, dan bespaar ik voortaan de inschrijfkosten.

Mijn festival ervaringen
Ik ben bij meer dan tien filmfestivals geweest dit jaar. Hierbij zitten ook festivals waar mijn film niet geselecteerd was, maar dat betekent niet dat het niet belangrijk is om erheen te gaan. Je ziet je netwerk weer, je ontmoet een nieuw netwerk, het is kei gezellig, maar vooral kan je veel films kijken.

Films kijken is een van de nuttigste dingen die je kan doen op een festival. Naast een goed verhaal, kijk ik graag naar de credits en alle logo’s van fondsen die hebben bijgedragen. Ook vraag ik me af waarom films geselecteerd zijn en waarom ze samen in een blok zijn gezet. Als je een vergelijkbare film ziet met je eigen film, kan je vervolgens kijken waar die film nog meer allemaal gedraaid heeft.

Op genrefestivals zoals Grimmfest en Imagine merkte ik dat het publiek super betrokken is. Dit zijn naar mijn mening de leukste vertoningen, aangezien het publiek zich laat horen in de zaal. Met dit publiek vind ik het ook het leukst om achteraf in gesprek te gaan. Daar merk je ook meteen welke humor internationaal anders valt. Zo zegt Huub Smit in mijn film ‘morgen mooi weer’ na iemands niesen; iets wat blijkbaar een uniek Nederlands ‘bijgeloof’ is.

Festivals als Clermont-Ferrand en Hofer Filmtage vond ik vooral tof om de grote schaal in relatief kleine steden. Die plekken ademen film en iedereen die je tegenkomt is er voor dezelfde reden. Hier heb ik echt leren netwerken, door mezelf gewoon in het diepe te gooien. Op mensen af stappen is eng, maar ik merk dat het makkelijk kan gaan wanneer je film als gemeenschappelijke deler hebt. Zo kwam ik alleen aan op de Hofer Filmtage, maar tijdens een talkshow ontmoette ik Christian Friedel, acteur van o.a. The Zone of Interest. We raakten achteraf aan de praat en niet veel later zaten we samen in de taxi op weg naar een filmvertoning. Het kan simpel zijn.

Hoe vaker je ook naar een festival gaat, en dan vooral in Nederland, hoe vaker je dezelfde mensen tegenkomt en hoe makkelijker het netwerken wordt. Zo vind ik Go Short het ideale netwerk festival. Een compact en gezellig festivalhart waar iedereen verzamelt. Wat wil je nog meer? Ik moet dan alleen niet vergeten om te noteren wie ik allemaal gesproken heb; de ‘nazorg’ is namelijk net zo belangrijk. Na een week even een mailtje met een terugkoppeling, zodat je alweer een volgende meeting kan inplannen.

Conclusie
Ik merk dat ik nog veel meer de diepte in kan gaan en inderdaad een uitgebreid stappenplan zou kunnen maken, dus laat het weten als je dat wil lezen. Voor nu dus een kleine conclusie. Korte films maken kost alleen maar geld, maar ik denk dat het tegelijk ook heel veel oplevert, als je maar een doel voor ogen hebt. Naast een publiek bereiken met je verhaal, ben je ook vertrouwen en netwerk aan het bouwen. Zonder Clermont-Ferrand had ik mijn distributeur niet gevonden, dus netwerken werkt wel degelijk. Voor mijn volgende films zal ik genoeg budget overhouden voor inzendingen, ook al weet ik van tevoren dat ik van de meeste festivals een afwijzing kan verwachten. Maar over omgaan met die teleurstelling kan ik een ander artikel schrijven.
En we blijven natuurlijk ieder jaar weer meer leren. Dus ik ben benieuwd naar mijn bevindingen op Imagine 2027.

Zit je toevallig zelf in de festivalwereld, of sta je op het punt je film in te sturen? Let me know, want ik wissel graag ervaringen uit!









© 2021 by Pim Vogels