Nederlands surrealisme.
Een term die mij niet echt bekend is. En ik hoor mensen gelijk denken: ‘Alex van Warmerdam is onze polder-surrealist,’ maar hoewel Van Warmerdam een van mijn helden is, zou ik zijn werk niet als surrealistisch bestempelen. Hijzelf volgens mij ook niet.
Maar graag wil ik zelf een surrealistische speelfilm ontwikkelen en ik vind het belangrijk om te weten wat voor me kwam. Het project zal in de voetsporen treden van Jean Cocteau en de vroege werken van Luis Buñuel, omdat deze stijl thematisch erg goed aansluit op wat ik zelf wil maken. Maar als Nederlandse maker wil ik ook weten wat ons land op dit vlak te bieden heeft. Vandaar deze duik in dit zeer specifieke stukje Nederlandse filmgeschiedenis.
Ten eerste even een definitie. Want ik heb zo vaak miscommunicatie gehad over de term en lees ook regelmatig recensies waar het woord ‘surrealistisch’ je om de oren wordt gegooid zonder enige onderbouwing… Surrealisme dus, simpel vertaald vanuit het Surrealistisch Manifest (1924, André Breton), een stroming gekenmerkt door het creëren vanuit het onderbewuste, weg van logica en rede, richting fantasie en dromen; dat realiteit en droom één moge worden.
Dan nu, een mooie introductie van deze geschiedenis is de Filmliga-kring. Eind jaren twintig van de vorige eeuw, introduceerde Joris Ivens, Henrik Scholte, Menno ter Braak, L.J. Jordaan en Constant van Wessem de Europese avant-garde cinema in Nederland middels vertoningen en publicaties. Het ging vooral om de Duitse, Russische en Franse films. Ivens maakte o.a. Regen (1929) samen met Mannus Franken, die zelf in Parijs woonde en geheid in aanraking kwam met het surrealisme van die tijd. Hoewel ze dus zelf niet actief waren in het maken van surrealistisch werk, kan ik me voorstellen dat ze een rol hebben gespeeld in de import van het tot dan toe onbekende genre.
Het duurde lang voor er ook echt surrealistisch werk gemaakt werd. Een eerste stroom makers begaf zich zo’n beetje rondom het CoBrA-tijdperk. CoBrA, de Europese kunstenaarsbeweging waar onder andere Karel Appel onderdeel van uitmaakte, was op zichzelf zeker niet surrealistisch te noemen, integendeel, ze zetten zich er zelfs tegen af, maar een paar makers die erom heen bewogen zijn interessant om uit te lichten. Grappig is dat in 1962 twee bekende Nederlandse filmmakers twee CoBrA-kunstenaars portretteerde. Johan van der Keuken filmde dichter Lucebert, en Jan Vrijman maakte het fantastische portret genaamd ‘De werkelijkheid van Karel Appel.’ En het is diezelfde Vrijman, die later zo betoverd was door Adriaan Ditvoorst en zelfs diens laatste film, De Witte Waan (1984) produceerde.
Ik zou een essay aan alleen Ditvoorst kunnen wijden. Zijn filmografie en zijn leven zijn uiterst interessant. Van een vriendschap op de filmacademie met Jan de Bont, zijn ervaringen met Jean-Luc Godard, zijn moeilijke verhouding met het publiek, tot zijn tragisch einde. Voor nu hou ik het kort, met voornamelijk de uitnodiging om zijn werk te gaan zien, want als we het over surrealisme in Nederland hebben, gaat het niet beter worden dan Ditvoorst. Zijn afstudeerfilm, Ik kom wat later naar Madra (1965), gefilmd door de Bont, gooide hoge ogen bij onder andere Godard, Bernardo Bertolucci en Pier Paolo Pasolini. Mocht iemand een kopietje hebben, hou ik me aanbevolen, want ik krijg hem zelf nergens gevonden. Over Paranoia (1967), eveneens gefilmd door de Bont, ben ik wel erg te spreken en soort van tweeluik Carna (1969) en Antenna (1969) hoop ik ook nog eens te mogen aanschouwen. Aanrader; er is een mooi videoportret over Ditvoorst gemaakt, in de serie Brabantse Helden, gewoon op YouTube te vinden.
We bewegen door naar Frans Zwartjes, een naam die, mocht je het zover hebben weten te schoppen in dit verhaal, waarschijnlijk geen introductie nodig heeft. Een van Nederlands grootste experimentele filmmakers, geen surrealist - al zijn in sommige van zijn werken surrealistische kenmerken terug te vinden - maar wel docent. Onder andere van Paul de Nooijer, surrealistisch fotograaf. ‘Niets is mooier.’ De Nooijer maakte in samenwerking met Zwartjes en daarna solo, ook een aantal films, al zijn deze ook vooral experimenteel van aard.
Een andere leerling van Zwartjes is Aryan Kaganof, filmmaker van onder andere Naar de Klote (1996). Zelf ben ik erg enthousiast over een groot aantal van zijn films en sommige zou ik ook surrealistische kenmerken toeschrijven, maar waar het pas echt interessant wordt, is hetgeen hij schreef; de boekverfilming Venus in Furs (1994). En daar komen we weer terug op CoBrA, want in de jaren tachtig betrad ook regisseur Victor Nieuwenhuijs het toneel. Zoon van CoBrA-oprichter Constant Nieuwenhuijs en kleinzoon van De Stijl-componist Jacob van Domselaer. Samen met regisseur en partner Maartje Seyferth startte hij Moskito Film, waaronder ze sindsdien werk maken met vaak surrealistische kenmerken, zoals dus Venus in Furs.
Richting het einde van dit stuk bedenk ik me dat ik de introductie ook op een andere manier in had kunnen steken. Namelijk via de voorloper van surrealisme: Dadaïsme. Ik bedacht me namelijk hoe ik Dick Verdult kon bespreken, de zelfbenoemde ‘laatste dadaïst.’ Leerling van George Kuchar. Al was Eindhoven ook al represent met De Nooijer. Ook bedacht ik me waarom Van Warmerdam altijd verward wordt met het surrealisme. Hij is in mijn ogen namelijk meer een absurdist. Eveneens een kindje van Dada. Dat absurdisme doet Nederland goed overigens. Laatst nog met VPRO’s 100-jarig bestaan, maar denk ook aan Jiskefet, Rundfunk en Missie Aarde… En misschien zou ik hier Jos Stelling ook wel plaatsen. Leuk zijspoor, maar daar hebben we het niet over. Nog een reden dat ik aan Dadaïsme dacht, is de Fluxus-beweging. Nog zo’n kindje van Dada. Want ik bedacht dat ik Wim T. Schippers ook wel kon categoriseren als surrealist. Maar misschien raak ik dan zelf de draad kwijt. In dit korte intermezzo komen we er wel achter dat Dada vader is van drie prachtige kinderen en dat dit het niet gemakkelijker maakt om makers in hokjes te plaatsen.
Terug naar het surrealisme. Het Dak van de Walvis (1982) om precies te zijn, van de Chileens-Franse regisseur Raúl Ruiz. En dat classificeren we toch mooi als Nederlands, dankzij een productie-credit van het, jawel, IFFR, met producenten Kees Kasander en Monica Tegelaar. Een film waar ons Hollandse landschap dient als decor voor Patagonië. Een film die taal letterlijk overschrijdt. Meerdere talen worden door elkaar gesproken, waarvan een verzonnen. Maar het leukste aan dit project vind ik de link met mijn eigen inspiratiebron. Henri Alekan deed namelijk het camerawerk zowel hier als bij Cocteau’s La Belle et la Bête (1946). Hoe mooi rond wil je het hebben. Overigens blijft Kasander ook in het surrealisme hangen, aangezien hij samen met Denis Wigman de vaste producent werd van Peter Greenaway. En Greenaway vind ik dankzij zijn levenslink met Saskia Boddeke ook gewoon een klein beetje een Nederlandse surrealist. Kees Kasander verdient trouwens sowieso een erehaag, aangezien hij later nog een Nederlands surrealistisch meesterwerk produceerde: Theo en Thea en de ontmaskering van het tenenkaasimperium (1989). Als Nederland nog iets goed kan, dan is het wel surrealistische kinderfilms en tv maken.
Tot nog toe ben ik me in de vorige eeuw aan het bewegen. Tuurlijk zijn er een aantal namen die films zijn blijven maken, vooral Moskito Film is nog vaak aanwezig, maar nieuwe makers die het stokje overnemen lijken er weinig te zijn. Ik kan me hier alleen Rosto voor de geest halen. Met zijn originele muziek en nog originelere, duistere animatiewerk beweegt hij zich door dromerige werelden of eerder nachtmerries. In zijn korte film The Monster of Nix (2011) is zelfs Terry Gilliam nog te gast, dus als surrealist is hij naar mijn mening goedgekeurd.
Maar verder, in de recente geschiedenis, komen er weinig namen bovendrijven. Misschien ligt het aan mijn summiere onderzoeksvaardigheden, maar ik denk toch eerder dat er gewoonweg weinig surrealistisch werk gemaakt wordt. Of misschien is het nou eenmaal lastig te definiëren. In ieder geval is het hoog tijd voor een nieuwe surrealistische wind in Nederland. Daar ga ik me hard voor maken.
* Kleine update: Absaline Hehakaya, hoofd Talent & Experiment bij het Nederlands Filmfonds was zo vriendelijk mij nog wat recente namen te tippen; precies waar het bij mij vastliep. Oké, toegegeven, het zijn VR-makers, daar houdt mijn kennis al heel snel op, maar desalniettemin zijn ze net zo belangrijk om te benoemen. Ten eerste Celine Daemen. Haar surrealistische VR Opera film Songs for a Passerby (2023) won de Immersive Grand Price op het film festival in Venetië. De tweede naam die ze noemde is Nemo Vos. De VR-studio van Tibor de Jong en Doris Kopnings. Na een korte deep-dive in hun recente werk, herken ik zeker de invloeden van wellicht een Salvador Dalì of Henri Matisse. Na zelf nog even in deze immersive hoek te zoeken, kom ik ook nog uit bij Ali Eslami, bekend van Gouden Kalf-winnend Nerd_Funk. Heel geruststellend om te horen dat de surrealisten nog steeds onder ons zijn!
~ Pim Vogels, 7-9-2026