Een update na ‘Mijn Debuutfilm’



In mijn satirische column ‘Mijn debuutfilm’ schreef ik over mijn hergeboorte als filmmaker, waarbij ik als het ware mijn autodidactische verleden afspoelde om mij vervolgens in vier jaar tijd op de Academie klaar te stomen voor de Debuutcompetitie van het NFF. Als autodidact kom ik namelijk niet werkelijk in aanmerking voor die competitie. Tot mijn verbazing werd ik na het plaatsen van de column overspoeld met reacties. Een boze Brabantse menigte leek mijn suggestie dat ik naar Amsterdam zou verhuizen persoonlijk op te vatten, van de Academie afgestuurde makers verwelkomden mij in hun kringen, en bovenal voelden mede-autodidacten zich gehoord.

Door alle ontstane commotie voelde ik mij genoodzaakt me niet bij de gevestigde orde neer te leggen. Ik nodigde mezelf uit op kantoor bij het NFF, waar ik in gesprek ging met hoofdprogrammeur Claire van Daal en toentertijd festivaldirecteur Ido Abram, om mijn pijnpunten omtrent de definitie van ‘debuut’ aan de kaak te stellen. Erg vriendelijk werd ik ontvangen op dat mooie kantoor aan de Vinkenburgstraat door twee mensen die duidelijk het beste voor hebben met de Nederlandse industrie en haar makers. Ik legde mijn pijnpunten op tafel en hoewel er niet over alles overeenkomst was, bleek wel dat mijn voornaamste punt bleef plakken: Die debuutstatus kan toch anders. De vraag is alleen hoe?

Ik vroeg het wat collega’s en industrieprofessionals en kwam er maar niet uit. Het is ook zo makkelijk niet om zo’n grote beslissing te maken natuurlijk. Alle begrip voor de mensen die dat uiteindelijk echt moeten doen. Voor nu wil ik toch maar eens een werkversie delen, vooral om de discussie weer te doen oplaaien. Ik heb me laten inspireren door iets wat het NFF al heel goed doet: het toetsen van wanneer een productie Nederlands is. Hiervoor gebruiken ze niet een vaste definitie, maar een checklist van een aantal criteria. Voor de debuutstatus, aldus Pim Vogels:

Een film wordt gezien als ‘debuut’ wanneer deze gemaakt is buiten een verplichte onderwijsopdracht en voldoet aan tenminste één van de onderstaande criteria:

• De film is ontwikkeld of gerealiseerd met steun van een erkende publieke instantie, zoals het Nederlands Filmfonds, een regionale omroep of een gemeentelijk/provinciaal cultuurfonds.
• De film is geproduceerd binnen een professionele productiecontext, waarbij gewerkt wordt met een professionele cast en/of crew en waarbij sleutelposities aantoonbaar fair pay of marktconforme vergoeding ontvangen.
• De film is geproduceerd met het oog op professionele publieke exploitatie, zoals distributie via bioscoop, televisie, streamingplatforms of vertoning binnen een erkend nationaal of internationaal festivalcircuit.

Ik heb overigens in het gesprek met Ido en Claire het ook gelijk maar even op proberen te nemen voor de vergeten student: de student die een afstudeerfilm maakt, maar niet in aanmerking komt voor de studentencompetitie. Die studenten kan ik gelijk teleurstellen, want zonder de juiste opleiding zullen zij het zonder de studentencompetitie moeten doen, er is anders nou eenmaal niet genoeg mankracht om alle ingezonden films te bekijken. Interessante reden voor uitsluiting als je het mij vraagt, maar die strijd gaan we een ander keer aan.



Dan nog even dit: Aangezien mijn vorige tekst ‘Mijn debuutfilm’ satirisch was ingericht, wil ik nog graag het een en ander verduidelijken voor de lezer die mij (begrijpelijk) iets te serieus nam. In onderstaande tekst wil ik graag de hoognodige context geven en ik richt mij hierbij vooral op de autodidact als infuus voor een zwakke industrie, geteisterd door bezuinigingen.

De autodidact op het witte paard 
Autodidacten vormen een groot deel van het Nederlandse filmlandschap… en dat moet gevierd worden. Het zijn vaak juist deze makers die perspectieven hebben die anders nauwelijks zichtbaar worden. Natuurlijk zijn de filmopleidingen groot goed, maar stilzwijgend en onbedoeld ontstaan hier conventies. Conventies die de autodidact aan zich voorbij laat gaan.

De autodidact leert door te experimenteren en door gewoonweg te maken. Door te bewegen binnen hun eigen infrastructuur; eigen crews, productiebedrijven, communities; leven er vele unieke werkwijzen, die het veld minder afhankelijk maakt van de centrale poorten. De autodidact heeft een zekere zelfredzaamheid, aangezien hij of zij vaak niet de officiële fondsenweg bewandelt, maar alternatieve manieren van financiering vindt. Deze zelfredzaamheid maakt de sector veerkrachtiger, wat cruciaal is in een tijd van stevige bezuinigingen op cultuur. Naast deze vorm van onafhankelijkheid en de diversiteit aan verhalen die hier uit ontstaan, zijn er ook andere poorten die hier opengaan, bijvoorbeeld in het internationale veld.

Binnen dit bredere perspectief verdient de manier waarop we debuutstatus definiëren modernisering. De huidige, rigide invulling straft vroege creativiteit. Veel makers beginnen immers vroeg met experimenteren via YouTube, 48-uurs projecten of sketches. Dat werk is leerrijk, maar vaak niet representatief voor hun latere professionele visie. Een debuut zou niet het eerste chronologische project moeten zijn, maar een professioneel statement. De huidige definitie sluit autodidacten en zijinstromers sneller uit en beperkt daarmee de diversiteit aan stemmen die het veld zo hard nodig heeft. Daarom is het belangrijk dat de toetsing voor toelating en selectie gemoderniseerd wordt. Dat maakt de industrie gezonder en inclusiever.

Ook binnen studentencompetities speelt dit probleem. Filmopleidingen zijn waardevol, maar vormen geen exclusieve kwaliteitsfilter. Er zijn in het huidige onderwijssysteem steeds meer opleidingen waar studenten vrijer zijn in de vorm van educatie, een gegeven wat vaak ook afstudeerfilms oplevert. Deze studenten komen echter niet in aanmerking voor studentencompetities, terwijl de diversiteit die zij meebrengen juist een verrijking kunnen zijn. Zij worden echter niet toegelaten en gelabeld als autodidacten. Wanneer selecties vooral gebaseerd zijn op institutionele herkomst, ontstaat een self-fulfilling prophecy: de officiële scholen worden steeds zichtbaarder, autodidacten steeds minder, zonder dat dit iets zegt over talent. Het probleem ligt niet bij de makers, maar bij de toegang.

Kijk nu eens naar autodidactische makers die dit afgelopen jaar nog aantoonden; Cyriel Guds en Bart Schrijver. Hun carrières laten zien dat alternatieve routes blijvend bijdragen aan onder andere vernieuwing van de industrie en internationale uitstraling. De Nederlandse industrie zou er goed aan doen deze routes beter te ondersteunen.



© 2021 by Pim Vogels